14-06-05

Voor een leefbare democratie 1 - ' Vermoeden van onschuld '

Recht en Wet

 

Het 'vermoeden van onschuld' is een juridisch en grondwettelijk beginsel om te voorkomen dat men willekeurig kan aangeklaagd en opgesloten worden. De wet zegt dat men juridisch onschuldig blijft (en als dusdanig wordt behandeld) zolang niet bewezen is dat men werkelijk schuldig is aan de ten laste gelegde feiten. De bewijslast wordt tegenwoordig echter omgedraaid. Als men vandaag beschuldigd wordt, moet men zijn onschuld bewijzen wat in bepaalde gevallen niet zo gemakkelijk is.

Mensen worden ook meer en meer via de media beschuldigd en veroordeeld.Dat was zowel het geval in de zaak van Morkhoven-activist Marcel Vervloesem als in het geval van popster Michael Jackson. Onder druk van de media eisen de openbare aanklagers alvorens het gerechtelijk onderzoek van start gaat, de zwaarst mogelijke straf voor de beschuldigde.

Nederlandse juristen maken zich regelmatig zorgen over de elementaire normen die in een rechtsstaat moeten gerespecteerd worden. In België daarentegen is men zo gewoon geraakt aan allerlei vormen van corruptie dat niemand nog wakker ligt van de verontrustende politisering en mediatisering die de onafhankelijkheid van Justitie verder ondergraaft.


Nederlandse juristen bezorgd

Nederlandse strafrechtspecialisten en criminologen maken zich zorgen over plannen van de Nederlandse overheid waardoor een aantal elementaire normen, waaronder het verbod op discriminatie, wordt bedreigd.
In het Nederlands Juristenblad 2002, afl. 32, verscheen onderstaande brief, waarin zij hun zorgen uiteenzetten.

 

Open brief aan de minister van justitie

Nu Prinsjesdag nadert en 'de strategische vertrekpunten' van het regeerakkoord concreter zullen worden ingevuld, willen wij onze grote zorg uitspreken over de voorgestelde plannen om de criminaliteit beheersbaar te houden.
Ondergetekenden, allen strafrechtspecialisten of criminologen aan een Nederlandse universiteit, maken zich er zorgen over dat bij enkele plannen om de veiligheid van de burger te verhogen, een aantal elementaire normen en beginselen waaraan criminaliteitsbestrijding in de rechtsstaat gebonden is, wordt bedreigd.

De belangrijkste daarvan zijn:
· het 'ultimum remedium'-beginsel, inhouden de dat het strafrecht alleen te hulp geroepen hoort te worden wanneer er geen minder ingrijpende middelen meer ter beschikking staan;
· het vermoeden van onschuld, dat inhoudt dat een verdachte juridisch als onschuldig wordt behandeld zolang hij niet door de rechter veroordeeld is;
· het 'nemo tenetur'-beginsel, dat inhoudt dat een verdachte niet gedwongen kan worden bewijs tegen zichzelf te leveren, van welk beginsel het zwijgrecht een uitwerking is;
· de bescherming van de privacy van burgers - dus ook van verdachte burgers - tegen willekeurige opsporingsactiviteiten van justitie en politie;
· en tot slot het verbod van discriminatie.

Het regeerakkoord beoogt een betere balans tot stand te brengen tussen de bescherming van samenleving en (potentiële) slachtoffers enerzijds en de rechten van (potentiële) daders en de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer anderzijds. Dit wordt nader uitgewerkt in de vorm van een algemene identificatieplicht, ruimere toepassing van DNA-onderzoek, meer cameratoezicht, koppeling van computerbestanden, hardere aanpak van de
jeugdcriminaliteit en strafbaarstelling van illegaal verblijf in dit land. Zelfs het zwijgrecht van de verdachte lijkt geen vanzelfsprekendheid meer te zijn.
Al deze voorgenomen maatregelen zijn strijdig met tenminste een van bovengenoemde uitgangspunten en/of de Grondwet en/of mensenrechtenverdragen waaraan Nederland zich verbonden heeft.De strafbaarstelling van illegaal verblijf in Nederland is in strijd met de ultimum remedium gedachte. Illegaal in Nederland verblijvende buitenlanders kunnen nu al worden aangehouden en uitgezet op grond van de Vreemdelingenwet. Strafbaarstelling is overbodig en alleen al daarom onwenselijk.
De voorstellen tot het invoeren van een identificatieplicht, zo leert de ervaring in het buitenland, leidt bijna noodzakelijkerwijs tot discriminatoir politieoptreden. Omdat niet iedereen gecontroleerd kan worden op papieren, zijn het altijd de mensen met een donker uiterlijk die gecontroleerd worden.
Op het gebied van strafvorderlijke bevoegdheden wordt de indruk gewekt dat het juridische vermoeden van onschuld van iedereen die (nog) niet is veroordeeld niet meer geldt. Toch is dit een essentieel beginsel van de rechtsstaat. Uit het regeerakkoord blijkt dat men zeer vergaande opsporingsbevoegdheden wil invoeren omdat de balans zou zijn zoekgeraakt tussen de veiligheid van de oppassende burger en de 'privacy van (potentiële) daders'.
Ten onrechte wordt hier gesproken over de privacy van daders, ook als daar voorzichtigheidshalve het woordje potentieel tussen haakjes bij staat. Het gaat immers niet om daders maar om verdachten. Zolang een rechter de schuld van de verdachte niet heeft vastgesteld, is deze in principe een burger met rechten als ieder ander. Het gaat dus om de bescherming van de privacy van álle burgers.
Het voorgaande speelt onder andere bij de voorstellen om DNA-onderzoek te doen bij verdachten van eenvoudige misdrijven, zelfs als dat voor de opsporing van dat misdrijf absoluut niet nodig is, bijvoorbeeld bij een op heterdaad betrapte winkeldief. De argumentatie hiervoor is, dat wie nu gearresteerd wordt waarschijnlijk wel eerder dingen gedaan heeft die het daglicht niet verdragen. Via de DNA-databank kan dat dan gemakkelijk worden uitgezocht. Deze zogenaamde sleepnetmethode: gegevens door de databank halen en kijken wat het oplevert, is in flagrante strijd met het hierboven omschreven vermoeden van onschuld. Iemand mag pas als verdachte worden beschouwd wanneer er een redelijk vermoeden van schuld is dat hij een bepaald strafbaar feit heeft begaan. Een verdachte van een winkeldiefstal is nog niet meteen verdacht van een gewelds- of zedenmisdrijf.
Het ter discussie stellen van het zwijgrecht van de verdachte is de meest vergaande uiting van de uitholling van het onschuldsvermoeden. Aan dat zwijgrecht zijn verschillende aspecten verbonden. In de eerste plaats is het de duidelijkste uitdrukking van het beginsel dat de verdachte niet rechteloos is en dat het aan de staat is te bewijzen dat hij gedaan heeft waarvan deze hem verdenkt: de verdachte zelf hoeft aan zijn veroordeling niet mee te werken. Volgens het Europese Hof voor de rechten van de mens is het zwijgrecht een uitvloeisel van het in artikel 6 van het EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces, al accepteert het hof in bepaalde gevallen dat het zwijgen tegen een overmacht van aanwijzingen in, ten nadele van de verdachte wordt gebruikt. Dat is heel iets anders dan het afschaffen van het zwijgrecht, dat immers, in combinatie met de verplichting voor elke verhorende ambtenaar om de verdachte over dit zwijgrecht in te lichten, in de eerste plaats de belangrijkste garantie tegen folter en andere onoorbare verhoormethodes is. Onlangs is door een vooraanstaand jurist deze cautieplicht al ter discussie gesteld en nu lijkt in de politiek zelfs het zwijgrecht als zodanig 'bespreekbaar' te zijn.
Onnodige strafbaarstellingen, sleepnetmethodes in de opsporing en afschaffing van het zwijgrecht zijn niet alleen onnodig repressieve maatregelen die in strijd zijn met fundamentele rechten van de mens, het zijn ook ondoordachte maatregelen in die zin dat zij uitingen zijn van de verwachting dat met meer strafrecht, meer opsporingsbevoegdheden en minder rechten voor de verdachte het criminaliteitsprobleem kan worden opgelost.
Dat is een gevaarlijke illusie: niet alleen de ervaring, maar ook wetenschappelijk onderzoek wijst uit dat dit niet het geval is. Het regeerakkoord miskent voorts dat de effectiviteit van het overheidsoptreden niet noodzakelijk wordt vergroot door verruiming van bevoegdheden. Die effectiviteit zal eerder zijn gediend met verbeteringen in de organisatie van politie en justitie. Dat de regeringscoalitie blijkens haar voorgestelde plannen tamelijk onverschillig lijkt te staan ten opzichte van een aantal belangrijke normen van de rechtsstaat en dat in het kader van de vrij algemene roep om veiligheid nogal makkelijk proefballonnetjes worden opgelaten die het wezen van de rechtsstaat raken, baart ons grote zorgen. Wij doen daarom een beroep op u om die rechtsstatelijke waarden te blijven verdedigen, ook tegen makkelijk in het gehoor liggende uitingen van zorg om de veiligheid in het land in. De eisen van de rechtsstaat en verlangens van een meerderheid in het parlement kunnen botsen. De minister van justitie is dan de eerst geroepene om de rechtsstaat te bewaken.

Ondertekenaars Open Brief
Universiteit van Amsterdam:
· Prof. mr Eugène Sutorius
· Dr Harmen van der Wilt
· Prof. dr Elisabeth Lissenberg
Vrije Universiteit Amsterdam:
· Prof. mr Egbert Myjer
Universiteit Leiden:
· Prof. mr Theo de Roos
· Prof. mr Hans Nijboer
· Dr Roelof Haveman
Katholieke Universiteit Nijmegen:
· Prof. mr Ybo Buruma
· Prof. mr Peter Tak
Rijksuniversiteit Groningen:
· Prof. dr Willem de Haan
Universiteit Utrecht:
· Prof. mr Chrisje Brants
· Prof. mr Constantijn Kelk
· Prof. dr Frank Bovenkerk
· Dr Martin Moerings
· Dr Bart Stapert
· Dr Renée Kool
· Dr Caroline Pelser
· Dr Miranda Boone
· Prof. dr Josine Junger-Tas
Universiteit van Tilburg:
· Prof. mr Petrus van Duyne
Erasmus Universiteit Rotterdam:
· Prof. mr Paul Mevis
· Dr John Blad
· Dr Vincent Mul
· Dr Jolande uit Beijerse
Open Universiteit Nederland:
· Prof. mr Jan Reijntjes
· Dr Jürgen Wöretshofer
Universiteit Maastricht:
· Prof. mr Gerard Mols
· Prof. mr André Klip
· Prof. mr Grat van den Heuvel
· Prof. mr Ties Prakken
· Dr Taru Spronken
· Dr Dorothé Garé
· Dr Peter Bal
· Dr Gerard de Jonge
· Dr Ria Wolleswinkel

Bron: Nederlands Juristenblad 2002, afl. 32

De commentaren zijn gesloten.